Over de auteur

 

 

Menno M.A. Knul (1945)

 

De auteur van deze website is een zelfstandig onderzoeker, die zich al vele jaren naast zijn werkzaamheden richt op het onderzoek van raadsels van de Nederlandse letterkunde en historiografie. Het gaat daarbij om onderwerpen, die door moderne letterkundigen en geschiedkundigen niet langer onderzocht worden, omdat de gebaande wegen inmiddels platgetreden zijn en nieuw onderzoek slechts tot de bekende resultaten zou leiden. Door gebruik te maken van nieuwe onderzoeksmethoden en vraagtekens te plaatsen bij wetenschappelijke conclusies uit het verleden is het mogelijk gebleken om nieuwe informatie aan te boren, waarmee zaken in een ander daglicht geplaatst kunnen worden, het onderzoek een nieuwe impuls krijgt en tot andere conclusies leidt.

 

Voorbeelden hiervan zijn:

 

1. Het Brittenburgonderzoek is steeds uitgegaan van de Romeinse herkomst van de Brittenburg. Echter de on-Romeinse vorm van het gebouw met halfronde torens wijst op een ontstaan in de Karolingische tijd en niet op een Romeins fort of vesting, waarvan de vormgeving in alle gevallen vierkant is. Ook de Leidse professor J.H. Holwerda was die mening toegedaan, maar zag in de Brittenburg een Frankisch kasteel. Dit verklaarde niet, waarom het kasteel in de monding van de (Oude) Rijn gebouwd was op een plek, die gemakkelijk bloot stond aan aanvallen van de Noormannen en door de ligging onverdedigbaar was. Het omgekeerde, namelijk dat de Brittenburg gebouwd zou zijn als een adelaarsnest voor de Noormannen om controle te hebben op de scheepvaart over de (Oude) Rijn en moeilijk vanaf landszijde benaderbaar was, leek een aantrekkelijker optie. De juistheid van deze stellingname kon vervolgens aangetoond worden aan de hand van de beschrijving, indeling en ligging van een burcht in Friesland in de Gesta Danorum van de middeleeuwse Deense historicus Saxo Grammaticus.

 

Een tweede uitdaging bestond uit het identificeren van de huidige ligging van de Brittenburg.  Daarvoor werd uitgegaan van de oudste plaat van de Brittenburg van Abraham Ortelius (1562). Juist deze plaat was in het Brittenburgonderzoek afgewezen, omdat die te veel afweek van latere platen. Vastgesteld werd echter, dat de latere platen gebaseerd waren op een grote roede van 16 voeten in plaats van een kleine roede van twaalf voeten. Bovendien werd betwijfeld of de Brittenburg wel (ver) in zee zou liggen, omdat op platen van de Brittenburg het complex in de nabijheid van de Nieuwe Vliet (Mallegat) was afgebeeld en de vondsten, die bij het graven van de Nieuwe Vliet (1571-1572) aan de Brittenburg werden toegerekend. Een landmeetkundige berekening van Martien van Zoeren bevestigde deze stelling. Met behulp van de gegevens op de oudste plaat van Ortelius (1562) werden de coordinaten gevonden: RD 87783x en 4695624y. Deze locatie ligt juist aan de overzijde van het huidige Uitwateringskanaal in Katwijk aan Zee op de plek, waar met de afgegraven grond uit het kanaal een kunstmatig duin is opgeworpen. Zie: Google Maps 52.2100563x; 4.4037586y.

 

Voor meer informatie zie : www.brittenburgnet.nl.

 

2. De stap van de Brittenburg en Saxo Grammaticus naar de Leidse historicus Petrus Scriverius, die van die naam gebruik maakte als zijn pseudoniem, is maar klein. De naam en werken van Petrus Scriverius worden te pas en te onpas in verband gebracht met de Rijmkroniek van Klaas Kolyn, de beruchtste mystificatie in de Nederlandse letterkunde en historiografie. De Amsterdamse historicus Jan Wagenaar signaleerde wel een 1:1 verhouding tussen Kolyn en Scriverius, maar het is niet bij hem opgekomen, dat Scriverius misschien zelf de Rijmkroniek geschreven zou kunnen hebben. Wagenaar ging evenals Huydecoper, de ontdekker van het bedrog, en de Leidse historicus Adriaan Kluit uit van een 18de eeuwse mystificatie, laatstelijk zonder bewijs toegeschreven aan de verkoper van de Rijmkroniek, Reinier de Graaf. In een cold case onderzoek kon het auteurschap van Petrus Scriverius worden aangetoond aan de hand van een daderprofiel, tekstvergelijking met de Rijmkroniek van Melis Stoke, die als voorbeeld had gediend, en de persoonlijke afwijkende en soms onjuiste gissingen van Petrus Scriverius in zijn Toets-steen op het Goudse Kroniekje. Het cold case onderzoek leidde ertoe, dat de interne datering van de Rijmkroniek c. 1170 (door van Alkemade) kon worde bijgesteld naar c. 1260 en was Klaas Kolyn geidentificeerd als de Egmondse monnik en later abt Nicolaas van Sassenheim. Voor meer informatie zie: www.klaaskolijnnet.nl (deze website)

 

3. Het toeval, zo dat bestaat, wil, dat een andere belangrijke mystificatie, het Oera Linda Boek, volgens de interne datering in het zelfde decennium (c.1260) tot stand was gekomen als de Rijmkroniek van Klaas Kolyn. Ook hier richtte de pennenstrijd zich op het auteurschap, niet langer op de echtheid van het document. Ook hier werd de oorspronkelijke bezitter Cornelis over de Linden en de deskundige Dr. Eelco Verwijs verdacht van het bedrog, al dan niet in samenwerking met literator Ds. Francois Haverschmidt alias Piet Paaltjens, maar ook de Deventer predikant Ds. Joast Hiddes Halbertsma was als verdachte in beeld gekomen. In een daarop volgend cold case onderzoek naar het auteurschap van het Oera Linda Boek kon aan de hand van een daderprofiel en vergelijking met de publicaties van J.H. Halbertsma diens auteurschap worden aangetoond. Aan de hand van de briefwisseling tussen Cornelis over de Linden en Dr. Eelco Verwijs kon vervolgens aangetoond worden, dat zij zelf niet de hand gehad hadden in de mystificatie en evenmin Ds. Francois Haverschmidt, die volgens de Groningse professor Jensma sturing had gegeven aan het complot. Haverschmidt heeft zijn betrokkenheid trouwens ontkend. Voor meer informatie zie: www.rodinbook.nl.

 

Daarnaast leidde het cold case onderzoek naar het auteurschap van de Rijmkroniek van Klaas Kolyn tot enkele deelonderzoeken zoals de rebellie van de Hollandse graaf Dirk IV tegen de Duitse koning Hendrik III (later keizer),  de onderhandelingen tussen Caesar [sic] en Kattenwald op de afgebroken brug over de Nabalia (de rivier de Nahe bij Bingen), de eerste gebiedsuitbreiding van het jonge graafschap van Holland langs de (Oude) Rijn tussen Bodegraven en Katwijk, de ware identiteit van aartsbisschop Egbert van Trier, het onvindbare nonnenklooster van Bennebroek en het sterfjaar van de Hollandse graaf Floris de Vette. Zie: capita selecta op deze website.

 

De auteur studeerde korte tijd klassieke talen aan de Universiteit van Leiden, maar studeerde na zijn diensttijd af in de Slavische Talen, waarbij hij zich specialiseerde in computational linguistics en automatisch vertalen. Hij volgde de opleiding Bibliotheekwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn werkkring was in het documentatievak en in opeenvolgende leidinggevende functies in het speciale en openbare bibliotheekwerk.

 

 

 

 

Contact: rodinmk@gmail.com.

 

 

 

 

www.klaaskolijnnet.nl  2009